Het crematorium

Net zoals elk ander concentratiekamp had ook het KZ-Flossenbürg een crematorium. De gevangenen (het lijkencommando) droegen hun gestorven kameraden via een steile granieten trap naar het crematorium.

In de herfst van 1944 steeg het sterftecijfer enorm. Daarom werd in de nabijheid van de afzonderingsbarakken (de quarantaineblokken) een tunnel richting crematorium gegraven. Zo kon men op een spoortje de lijken transporteren naar het crematorium. De toegang tot die tunnel werd afgeschermd met een hek uit dikke, ijzeren staven.

In tegenstelling met andere concentratiekampen bleven de mannen van het crematoriumcommando meestal wel in leven en werden na een tijd op andere plaatsen ingezet. Een ander commando die bij het crematorium werd ingezet, had als taak de grote beenderen en schedels die niet helemaal verbrand waren, stuk te slaan met een hamer. Alle verbrijzelde en andere beenderresten werden in een put gegooid bij de andere assen. (Dit commando was, volgens een Russische overlevende en ooggetuige, uit Sint Petersburg, actief op het eind van de oorlog.)

Het gebouw opgericht in 1940, bestond uit drie kleine ruimten. In één ruimte stond een stenen autopsietafel, de andere ruimte was om de lijken en /of schoenen, kleren e.d. te verzamelen en in de laatste ruimte stond er één oven.

Op het eind van de oorlog kon het crematorium de grote toevloed van vermoorde en bezweken gevangenen niet meer aan. Om de lijken toch zo snel mogelijk te laten verdwijnen, werden een eindje verder grote brandstapels gebouwd. Deze werden opgebouwd uit een laag hout en vervolgens een laag lijken, opnieuw een laag hout en vervolgens weer een laag lijken, enz. Op die manier probeerde men het werkelijke aantal slachtoffers te verdoezelen.

Na 1945 werden de wachttoren, de tunnel, de spoorbaan en het crematorium een belangrijk symbool en herinneringsteken van het KZ-Flossenbürg.